Achttien! Het jaar dat je van kind volwassene wordt. Ik ben lang best bang geweest voor dat moment. Alles zou anders worden, terwijl er feitelijk niets verandert. Hetzelfde kind, dezelfde zorgen. Alles is ook anders, want vier jaar geleden overleed je. Net geen veertien.
Er zijn momenten dat ik opgelucht ben dat je geen achttien bent geworden. Ik zag op tegen al het papierwerk. Van gewoon een vader zou ik ineens een bewindvoerder moeten worden. Dat wil ik helemaal niet zijn. Ik zou gedoe hebben met verzekeringen, de SVB, uitkeringen, heel veel geregel. Maar goed, daar zou ik wel mee kunnen omgaan uiteindelijk. Veertien jaar heb ik al een weg weten te banen in de bureaucratie. Dit kon er ook wel bij.
Waar ik veel meer tegen opzag was dat voor jou veel ging veranderen. Weg bij de Blauwe Vogel, het fijnste plekje voor jou. Naast thuis dan. Niet meer naar het WKZ, maar naar het naastgelegen volwassen ziekenhuis. We zijn vaak genoeg daar bij de Spoedeisende Hulp geweest om te weten dat het er heel anders aan toegaat. Een andere arts dus ook, niet meer die hele fijne kinderarts. Veel mensen met wie we een band hebben opgebouwd hadden we gedag moeten zeggen. Mensen die jij vertrouwde. Die jou kenden en wisten hoe ze je moesten benaderen. Die overstap is je bespaard gebleven. Jij had het waarschijnlijk nooit begrepen.
Toch had ik heel graag gezien dat je achttien was geworden. Al die papieren ellende had ik er graag voor over gehad. En samen hadden we wel gezorgd dat we weer de juiste mensen om je heen hadden verzameld. Natuurlijk, alles zou ik voor jou doen. Toen al en nu nog steeds.
Was je er nog maar. Dan konden we samen een ijsje halen bij ‘de molen’. Lekker wandelen, terwijl jij de blaadjes van de struiken voelde. Grapjes maken. En kroelen. Heel veel kroelen. Ik denk nog vaak aan die momenten. Naast je in bed, mijn handen over je rug. Jouw handen overal eigenlijk. Ik mis het. Niet dagelijks – het leven blijkt gewoon door te gaan – toch best wel vaak.
Ze zeggen dan wel eens dat je na drie, vier jaar het verlies wel ‘een plekje hebt gegeven’. Een vreselijke uitdrukking. Want hoezo moet je het een plekje geven? Ik wil het gewoon voelen als ik je mis. Niet wegstoppen. Ik wil het ervaren, hoe onverwachts ook. Kan rouwen überhaupt ooit stoppen, wat is rouwen eigenijk, doe ik dat? En ja, er gaan genoeg dagen of weken voorbij dat ik er niet bij stil sta. Afgewisseld door periodes waarin ik juist heel intens je mis. Zoals bij het overlijden van H, die bij jou op de kinderopvang heeft gezeten.
Soms kan ik niet geloven dat jij in mijn leven bent geweest. Dan denk ik eigenlijk dus ook aan jou. Dat is een fijne constatering. Soms lijkt het ook alsof je er nog steeds bent. Het gebeurt wat minder dan in het eerste jaar. Maar toch. Zoals we een paar maanden geleden bij het jubileumfeest waren van De Blauwe Vogel. Het voelde zo vertrouwd dat toen we weggingen bijna wilden zeggen: tot maandag! Maar ja, jij bent er niet meer.
Het zijn wel dat soort momenten die mij heel dierbaar zijn. Want dan weet ik dat ik aan je denk, dat ik je niet vergeet. Alsof dat ooit zal gebeuren. Je zit diep in mijn hart. Soms misschien een beetje verstopt, dan zie ik je even niet. Of voel en kijk ik zelf niet goed. Ik hoef het geen plekje te geven. Je zit gewoon in mij. Overal, ergens, altijd. Laat dat blijvend zijn.







Wat een dag.
Ik geloof niet in ‘een plekje geven’. Waar is dat plekje dan?
Ik weet niet precies hoe het voelt, maar misschien is het als een plek op je hart waar een enorme blauwe plek is ontstaan. Na verloop van tijd trekt die weg, verkleurt van blauw naar geel en groen. Maar dan, ineens, door een botsing met een herinnering of een moment, kleurt die plek weer even net zo blauw en rood als toen.
En misschien is dat juist wat het betekent: niet dat je iemand een plek geeft, maar dat je hem altijd bij je draagt. Want hoe je hart ook kleurt, blauw en rood, geel en groen, diegene is daar altijd.
Dank je wel Karin voor je mooie en lieve woorden. Zoals altijd. Ze doen mij goed.